Advies AG aan Hoge Raad in zaak moord bij sportschool Amstelveen: één veroordeling kan in stand blijven, twee andere zaken moeten opnieuw worden behandeld

18 maart 2025

De veroordeling van één van de schutters van de moord bij een sportschool in Amstelveen in 2019 waarbij een man om het leven kwam, kan in stand blijven. De zaak tegen de andere schutter en de zaak tegen een derde verdachte moeten (deels) opnieuw worden behandeld. Dat adviseert plaatsvervangend advocaat-generaal (plv. AG) Van Wees de Hoge Raad in zijn conclusies van vandaag.

De zaak

Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer op 12 december 2019 op het parkeerterrein van een sportcentrum in Amstelveen door twee personen is benaderd en onder vuur is genomen. Daarbij zijn ten minste twaalf schoten gelost. Het slachtoffer overleed als gevolg van de schietpartij. Zijn vijfjarig zoontje, die het slachtoffer op het moment van het schieten in zijn auto hielp in te stappen, bleef ongedeerd.

Twee verdachten, X en Y, werden door het hof als schutter aangemerkt. Een derde verdachte, Z, werd veroordeeld wegens zijn betrokkenheid bij de moord omdat hij een peilbaken had bevestigd onder de auto van het slachtoffer en op de dag van het schietincident weer had verwijderd.

Het hof achtte de moord op het slachtoffer en de poging tot moord op het zoontje bewezen. Het hof veroordeelde beide schutters tot 28 jaar gevangenisstraf. Z kreeg voor zijn rol 14 jaar gevangenisstraf opgelegd. Alle drie de verdachten stelden beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Cassatieklachten en advies plv. AG

Zaak X
In cassatie is onder meer geklaagd dat uit het bewijs niet kan volgen dat de verdachte voorwaardelijk opzet (met voorbedachte raad) had op de dood van het zoontje van het slachtoffer.

Deze cassatieklacht slaagt volgens de plv. AG niet. Hij adviseert de Hoge Raad de veroordeling en de opgelegde straf in stand te laten.

Zaak Y
In cassatie is geklaagd dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het Nederlandse strafrecht kent de regel dat als een verdachte in één keer wordt veroordeeld voor meer dan één strafbaar feit, de maximaal op te leggen straf niet wordt bepaald door de straffen bij elkaar op te tellen die volgens de wet ten hoogste voor ieder van de afzonderlijke feiten kan worden opgelegd. Het maximum is een derde meer dan de hoogste van die straffen, maar nooit meer dan 30 jaar. Artikel 63 Sr zorgt ervoor dat deze regel ook geldt als een verdachte niet in één keer, maar in afzonderlijke vonnissen wordt veroordeeld, terwijl een gezamenlijke veroordeling wel mogelijk was.

De verdachte Y is bij een nog niet onherroepelijk vonnis van de rechtbank Gelderland van december 2022 veroordeeld voor het medeplegen van een andere moord tot 20 jaar gevangenisstraf. In de onderhavige zaak zou volgens de regel van art. 63 Sr voor het medeplegen van (poging) moord daarom maar 10 jaar gevangenisstraf kunnen worden opgelegd. Het hof heeft echter geen toepassing gegeven aan deze regel omdat het volgens het hof in dit geval ging om een nog niet onherroepelijke uitspraak van de rechtbank Gelderland.

Volgens de plv. AG is dit in strijd met de rechtspraak van de Hoge Raad dat deze regel ook geldt voor niet-onherroepelijke uitspraken. Er is op dit moment een wetsvoorstel ‘Herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken’ aanhangig om de wet op dit punt te veranderen, zodat de toepassing van artikel 63 Sr wordt beperkt tot het geval waarin de verdachte onherroepelijk tot straf is veroordeeld. Dit voorstel is nog niet aangenomen.

Het oordeel van het hof is volgens de plv. AG dan ook juridisch onjuist. Daarmee slaagt volgens de plv. AG de cassatieklacht van de verdachte. De plv. AG adviseert de Hoge Raad de uitspraak van het hof te vernietigen, maar uitsluitend op het punt van de strafoplegging, en de zaak te verwijzen naar een ander hof om alleen op dit punt opnieuw te worden berecht en afgedaan. De veroordeling voor de (poging tot) moord blijft dus staan. Alleen moet opnieuw een straf worden opgelegd.

Zaak Z
In deze zaak is onder meer geklaagd dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer. Volgens de plv. AG heeft het hof vastgesteld dat de verdachte een dag voor de schietpartij een peilbaken heeft geplaats op de auto van het slachtoffer, dit baken op diezelfde dag heeft verwisseld of vervangen en dit op de dag van de schietpartij – ongeveer een uur voordat het slachtoffer werd doodgeschoten – heeft verwijderd. Het hof heeft verder vastgesteld dat het plaatsen van dit peilbaken tot doel had het slachtoffer te lokaliseren om hem te doden en dat het hof de verklaring van de verdachte dat hij van dit doel geen weet had “volstrekt onaannemelijk” acht, waarbij het hof heeft betrokken dat “het een feit van algemene bekendheid is dat bakens worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren”.

Volgens de plv. AG is het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer niet toereikend gemotiveerd. Daarbij vindt de plv. AG van belang dat het hof onvoldoende feiten en omstandigheden heeft vastgesteld die redengevend zijn voor het bewijs dat de verdachte wist van het doel om te doden en daarmee handelde met het volle opzet waarop het hof volgens de plv. AG het oog had. Overigens kan volgens hem ook niet uit de bewijsvoering volgen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het plaatsen van het peilbaken tot doel had het slachtoffer te lokaliseren om te doden (en dat daarmee sprake zou zijn van voorwaardelijk opzet). De plv. AG is van mening dat peilbakens niet uitsluitend voor het door het hof genoemde doel worden gebruikt en dat het hof geen vaststellingen heeft gedaan over bij de verdachte bekende omstandigheden die maken dat in deze zaak een liquidatie (meer) voor de hand lag.

De cassatieklacht van de verdachte slaagt dan ook volgens de plv. AG. Hij adviseert de uitspraak van het hof te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het hof om opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Uitspraak Hoge Raad
De uitspraak van de Hoge Raad is (voorlopig) bepaald op 27 mei 2025.

De conclusie van de plv. advocaat-generaal is een onafhankelijk advies aan de Hoge Raad, die vrij is dat advies al dan niet te volgen. De plv. advocaat-generaal is verbonden aan het parket bij de Hoge Raad. Het parket bij de Hoge Raad is een zelfstandig, onafhankelijk onderdeel van de rechterlijke organisatie. Het behoort niet tot het Openbaar Ministerie.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:PHR:2025:334

ECLI:NL:PHR:2025:336

ECLI:NL:PHR:2025:337